Academisch [Academic]

[Dutch] De zorg voor vaardigheid. De dialectiek tussen kennis en ervaring.

De vooronderstelling die in het huidige onderwijs is geïncorporeerd is de collectieve

overtuiging dat het de beste leerschool voor het leven is. We bereiden kinderen voor op

hun deelname in de maatschappij, wanneer ze volwassen zijn en er van hen verwacht

wordt dat ze participeren. We gebruiken daarvoor een systeem dat al ruim een eeuw in de

kern niet meer is aangepast. Een vreemde gedachte wanneer je bedenkt hoe onze samenleving

over deze lange tijd is veranderd.

In dit essay heb ik mezelf afgevraagd waar onderwijs nu eigenlijk om draait. Wat doen

we als we iemand onderwijzen? En hoe ziet dat er dan uit? Wat betekent het om te leren?

En op welke manier voltrekt zich het proces van kenniscreatie? Kortom, wat is leren en hoe

gaat dat in zijn werk? En welke vorm van onderwijs volgt daaruit?

 

Waarom onderwijzen we?

In zekere zin wijken we hierin niet af van de dieren en vormt het ook een wezenlijk onderdeel

van het bestaan. Het onderwijzen, het iemand iets leren, draagt essentieel bij aan

de kansen tot overleven. Zoals jonge vogeltjes vliegles krijgen, jonge aapjes leren voedsel

te vergaren door in de hoogste boomtoppen te klimmen, zo leert een mensenkind lopen,

praten, eten, kortom hoe het zich behoort te gedragen om in de menselijke samenleving

te kunnen overleven. We zouden het nog sterker kunnen formuleren. Louter instinctief

handelende wezens daargelaten, is het voor sociale wezens van levensbelang onderwezen

te worden. Niet alleen omdat men moet leren hoe men zich in stand houdt in de natuurlijke

habitat, maar ook hoe men dat doet in de culturele, sociaal-maatschappelijke habitat.

Leren is onderdeel van het dagelijks leven. Je zou kunnen stellen dat je elke dag iets

leert, ook al is het maar iets kleins. En dat gaat een leven lang door. Bijvoorbeeld dat het

kastje waar je voor de derde keer je teen aan stoot daar misschien niet op de beste plek in

je huiskamer staat. Of, dat je bij glad weer die schoenen met lederen zolen beter niet had

aan kunnen trekken. We leren elke dag, omdat we in ons omgaan met de wereld om ons

heen en met anderen continue nieuwe ervaringen opdoen waar we lering uit trekken.

read more »

Opinie [Opinion]

Een test van ‘boven’ [Dutch]

Het was vlak na Kerst en slechts enkele dagen voor het einde van 2014, dat een groot deel van Nederland zich mocht heugen op een lekker dik deken van sneeuw. Ik word er altijd enorm blij van, omdat sneeuw onze wereld voor even compleet verandert. Want zolang sneeuw ongeroerd blijft, werkt het als een soort filter over onze realiteit. De omgeving wordt zachter en vriendelijker, doordat de sneeuw alle harde lijnen lijkt af te ronden. Planten en bomen krijgen een wollige uitstraling en, wat ik vooral zo mooi vind, is dat het sneeuwdek de kakofonie aan geluiden dempt en reduceert tot doffe tonen. Alsof je oren vol met watten zijn gestopt. Bijkomend voordeel is dat de meeste mensen zich liever niet in de sneeuw begeven, dus het blijft vaak ook nog lekker rustig op straat.

Maar deze periode tussen Kerst en Oud & Nieuw moesten de mensen op een gegeven moment toch naar buiten. De gourmetschotels, oliebollen en het vuurwerk moesten nog worden gekocht. De sneeuw die was gevallen was van de categorie ‘half nat’. Het was van die sneeuw die maar net het stadium van regen voorbij lijkt te zijn geweest. Zwaar en compact en als je het samendrukte vormde het zich direct om tot ijs. Nu kan men raden wat er gebeurde toen de sneeuw plat werd getrapt op de stoepen. Eén ijsplaat. En een direct gevaar voor botten en beenderen.

De sneeuwval van dat weekend leek een test van ‘boven’. De opzet van de test was eenvoudig; we leggen bij iedereen een potentieel gevaarlijk probleem voor de deur en we kijken wie zich verantwoordelijk voelt te handelen. Tijdens een wandeling door de stad, schatte ik het aantal schone stukken stoep op een kleine 5% van het totaal aan meters stoep dat ik die middag bewandelt had. Het viel me ook op dat in de wat ‘volksere’ buurten, waar de gemiddelde leeftijd vaak wat hoger ligt, meer stoepen schoon waren gemaakt, dan bijvoorbeeld in het centrum. Het leek er in het algemeen op alsof de mensen niet zo’n boodschap hadden aan het risico wat anderen voor hun voordeur konden lopen. Misschien dachten ze meer vanuit het NIMBY-principe (Not In My BackYard)? Het gevaar bevond zich niet in hun privé ruimte, dus was het ook niet hun verantwoording. Eerder dat van de gemeente.

Het ‘glibber-en-glij’-avontuur van die middag deed me wel iets inzien. Als de besneeuwde stoepen een metafoor zijn voor de bereidheid van mensen om te denken áán en te handelen vóór hun medemens, dan lijkt het me vooral een teken aan de wand van het participatiedenken waar onze overheid zo vol van is.

Opinie [Opinion]

Is schaliegas onze redder in nood? [Dutch]

Zaterdag 20 april jongstleden publiceerde het Brabants Dagblad een opiniestuk van VVD’ers Hans van Baalen (VVD-fractie Europees Parlement) en Karel Burger Dirven (Provinciale Staten Noord-Brabant). Onder de kop ‘Wacht niet langer met schaliegas’ houden beide politici een pleidooi voor de alom omstreden winning van schaliegas. Volgens hen is het namelijk een uitgelezen kans op hernieuwde economische voorspoed en een belangrijke stap naar meer onafhankelijkheid. Immers, met een geschat volume van 200 – 500 miljard m3 schaliegas dat een waarde vertegenwoordigt van 130 – 300 miljard euro, zal de winning van schaliegas een sterke economische impuls kunnen bieden. De vruchten die we van de exploitatie van schaliegas kunnen plukken zijn talrijk. Zo verwachten de auteurs een toename van de werkgelegenheid door een opleving van de industrie gelieerd aan gaswinning. Ook voorziet men een daling van de gasprijzen door het toenemen van het aanbod. CO2 niveaus zullen dalen door de lagere milieubelasting van het relatief ‘schonere’ schaliegas. En, wellicht even belangrijk als het economische gewin, is een grotere onafhankelijkheid van buitenlandse energieleveranciers en mede daardoor, een sterkere (geo)politieke positie voor Nederland. Zoals Van Baalen en Burger Dirven schrijven; ‘Daar kan niemand op tegen zijn.’

De winning van schaliegas blijft echter omstreden. Minister van Economische Zaken Henk Kamp zwakte de prognoses voor de opbrengsten van schaliegas al af (Volkskrant, 17 april) en verwacht dat het niet meer dan 5% zal innemen van de totale gasproductie in Nederland, met een geschatte opbrengst van een paar honderd miljoen euro per jaar, tegenover 12 miljard uit conventionele gaswinning. Daarnaast is, zoals Van Baalen en Burger Dirven onderschrijven, de veiligheid van de winning van schaliegas een heikel punt. In juli worden de resultaten verwacht van een onderzoek in opdracht van Economische Zaken naar de veiligheidsaspecten van deze vorm van gaswinning. Daarop vooruitlopend hebben verschillende bedrijven en gemeenten hun zorgen geuit over de mogelijke gevolgen. Zo hebben o.a. de waterbedrijven Brabant Water en Vitens, alsmede enkele grote bierbrouwerijen, garanties geëist omtrent de bescherming van het grondwater. Door het gebruik van zware chemicaliën en hoge druk, bestaat er de kans op infiltratie van chemische stoffen in het grondwater, wat resulteert in een omvangrijke milieuramp met dito schade aan milieu en economie. Op dit moment blijven dus nog vele aspecten van schaliegas uiterst dubieus.

Waarom wordt schaliegas dan serieus overwogen? Dat komt omdat hedendaagse politici niet aan hun beperkte horizon voorbij durven te gaan. De inmiddels behaalde kamermeerderheid die instemt met schaliegas als alternatieve energiebron is een teken aan de wand. De argumentatie voor deze meerderheid is echter ronduit zwak te noemen. De eis van de PvdA dat schaliegas ‘op een schone en veilige manier gewonnen kan worden’, is een zuivere paradox. Geen enkele vorm van winning van fossiele brandstoffen is gegarandeerd veilig en zeker niet schoon. De winning van schaliegas biedt hooguit economisch en politiek gewin voor de korte termijn en tegen bedenkelijk grote risico’s. Op de lange termijn vormt het echter op geen enkel manier een constructieve oplossing voor de stijgende energievraag en de kwakkelende Europese industriële economie. Ik ben het met eerder genoemde auteurs eens dat de politiek een positie in moet nemen tegenover schaliegas, maar naar mijn mening moet het een positie zijn die voorbij gaat aan schaliegas en inzet op de toekomst. Een toekomst van duurzame energieproductie.

Wanneer de politiek inzet op het stimuleren van duurzame energieproductie creëert het  onafhankelijkheid en economische voorspoed. De opleving van de in Nederland matig ontwikkelde industrie zal de werkgelegenheid aanzienlijk doen toenemen en de ontstane banen zijn net zo duurzaam als het product zelf. De op 23-04 aangenomen motie Van Ojik voor inzet op vergroening om duurzame banen te creëren is een teken dat de politieke wil om de sector aan te jagen aanwezig is. Gasprijzen zijn niet meer van belang, want de stijgende energievraag is vooral een vraag naar elektrische energie en die kan worden opgewekt uit overvloedige en oneindige bronnen. Op lange termijn hoeft energie daarom vrijwel niets meer te kosten. CO2 niveaus zullen sterk dalen, omdat ouderwetse en milieubelastende vormen van energieopwekking uit de tijd zijn. En als op Europees niveau de ontwikkelingen slim wordt ingezet, kunnen we op termijn zelfvoorzienend zijn in onze energievraag en wereldleiders worden in technieken voor duurzame energieopwekking. Juist dan kan Nederland, met Europa, werkelijk onafhankelijk van energie-import zijn en geopolitiek een speler van formaat worden.

Schaliegas is niets anders dan een schijnoplossing. Want wil men uit een crisis komen, dan zal men lef moeten tonen en voorbij het bekende moeten gaan om nieuwe wegen te kunnen ontdekken. Nieuwe wegen die leiden naar nieuwe tijden van voorspoed voor onze samenleving. Een voorspoed die niet onze leefwereld verder afbreekt, maar nuttig gebruik maakt van dat wat we in overvloed van haar krijgen. Zuivere energie!

Dit artikel is eveneens gepubliceerd op The Post Online: http://biz.thepostonline.nl/2013/04/25/… en ook in het Brabants Dagblad van 8 mei 2013.

Opinie [Opinion]

De Kerk is verleden tijd [Dutch]

‘Ze weten me ook overal te vinden’, dacht ik nog bij het zien van de brief tussen de stapel post die ik zojuist uit de brievenbus had genomen. Het was een brief van de lokale Rooms-Katholieke parochie. De lijvigheid ervan had mijn nieuwsgierigheid gewekt en daarom besloot ik hem te openen. Normaal gesproken zou ik zo’n brief namelijk direct tot stof hebben laten wederkeren. In de enveloppe trof ik verschillende zaken aan. Zo was er een inleidende brief, een brochure en ook nog een acceptgiro. Bij het zien van die laatste was het voor mij wel duidelijk welke strekking de brief en de brochure zouden hebben. Vluchtig bekeek ik de brochure waarin, onder andere, te lezen viel dat de parochie uit wiens naam ik de brief had ontvangen, inmiddels was gefuseerd met de andere parochies in het centrum van mijn woonplaats. In de brief vond ik duiding voor de grond van deze fusie. De parochies waren allen in moeilijk vaarwater belandt door de aanhoudende afname van parochianen en de financiële problematiek die dit mede tot gevolg had. Daarnaast had men de zware last van grote hopen steen die onderhoud vereisten. Nu richtte men zich tot mij, als ingeschrevene van de Katholieke kerk, om mijn vrome hart te laten spreken en mijn portemonnee te trekken. Helaas voor de parochie waren ze bij mij echter aan het verkeerde adres.

Geheel in trend met de destijds heersende sociale standaard in de zuidelijke Nederlanden, heb ik een Katholieke basisopleiding gehad met alle daarbij behorende feestelijkheden (doop, communie, vormsel), waar je vaak nog eens wat moois aan over hield. Echter heeft deze vorming niet lang stand kunnen houden. Omstreeks mijn 12e levensjaar besloot ik dat het mooi was geweest met deze poppenkast. Mijn ratio was voldoende ontwikkeld om de schijnheiligheid van het instituut in te zien en te besluiten dat ik zelf mijn boontjes wel kon doppen. Van dat besluit heb ik nooit spijt gehad.

Ik heb mijzelf nooit uit laten schrijven en dus wist de Kerk mij wederom, ook na mijn verhuizing, te vinden voor haar wanhoopspoging mensen aan zich te binden. Het instituut ‘Kerk’ (ongeacht de vorm van religie) kan namelijk niet bestaan zonder de mensen die zich met haar willen vereenzelvigen. De existentie van elk instituut staat of valt immers bij de acceptatie en validatie door haar gelovigen, of we nu spreken over de Kerk of over, bijvoorbeeld, onze rechtsstaat. Juist daarin kunnen we ook de reden zien voor het verval van de Kerk. Zoals ik mijzelf reeds op jonge leeftijd niet meer kon vereenzelvigen met de Kerk en het Katholieke geloof, zo zijn er steeds meer mensen die niet meer geloven in dit instituut. Het lijkt haast een wereldvreemde observatie nu er zo veel aandacht is voor de verkiezing van een nieuwe paus na het vertrek van Benedictus XI. Toch zijn het soort brieven zoals ik die ontving, tekenen aan de wand.

Hier in het Zuiden zijn mensen nog lang in de waan gebleven die hen door de Katholieke Kerk werd opgelegd. Maar de Kerk wordt ook hier inmiddels met rasse schreden voorbij gegaan door de tijd. De jonge generaties groeien zelden nog op met alle formaliteiten en rituelen die een Katholieke opvoeding met zich mee brengt. Mede door de secularisering van onderwijs en samenleving komen ze vrijwel niet meer in aanraking met de Kerk en vragen ze er ook niet naar. Mensen die toch hun religieuze aard ontdekken, zoeken op hun eigen manier naar geestelijke steun en kijken daardoor sneller naar vormen van religie die het individu centraal stellen. Ze zoeken niet naar een instituut dat voor hen die religiositeit kanaliseert en organiseert. Ook hun religie hebben mensen tegenwoordig liever zelf in de hand, of dit nu katholiek, protestant, boeddhistisch, islamitisch of atheïstisch is.

De brief, brochure en acceptgiro van de plaatselijke parochie heb ik uiteindelijk maar weer in de enveloppe gedaan en verscheurt. Een instituut in verval moet je niet met wanhoopspogingen overeind proberen te houden. Daarnaast heb ik geen religie nodig om mij te helpen met de wereld waarin ik leef. Als filosoof geloof ik dat de wereld mij toetreedt zoals ze dat doet en het is aan mij om een weg te vinden om daar mee om te leren gaan. Het is het onvoorspelbare dat ons het besef geeft van het leven. Dat moet je niet willen verbloemen in mooie woorden en gedachten, dat moet je in al zijn zuiverheid en hardheid willen ervaren.

Opinie [Opinion]

Langstudeerboete ‘postuum’ een succes? [Dutch]

Onder meer ScienceGuide.nl berichtte vandaag (hier te lezen) dat het dreigen met en de instelling van de langstudeerboete, al was die maar van korte duur, een opmerkelijke stijging in het aantal geslaagden over het jaar 2012 heeft opgeleverd. ‘Zelden is het rendement zo hoog geweest’, schrijft ScienceGuide naar aanleiding van een studie van VSNU. ‘De VSNU rekent voor dat 16 procent meer masterdiploma’s zijn uitgereikt in 2012 en zelfs 17 procent meer getuigschriften voor de bachelorgraad. Ook het HBO verheugt zich in een flink gegroeid afstudeerrendement. Het aantal diploma’s dat in 2011-2012 is uitgereikt is met 4,9 procent gestegen.’ Zou Halbe Zijlstra’s hersenspinsel dan toch de heilige graal voor een hoger studierendement zijn geweest?
Wanneer men de droge cijfers van het VSNU bekijkt, zou men, zoals ScienceGuide niet nalaat te doen, kunnen speculeren dat de langstudeerboete in haar relatief korte bestaan inderdaad effectief is geweest. Het is ook geen ongebruikelijke manier van interpretatie, wanneer men ziet dat de regel respectievelijk 16 en 17 procent meer afgestudeerden heeft opgeleverd. Een rendementsstijging waarbij elke manager spontaan een gat in de lucht zou springen en al reikhalzend naar zijn bonus uit zou gaan zien. En inderdaad heeft menig student, met het oog op €3000,- studieboete, gepoogd alsnog in het studiejaar 2011-2012 af te studeren. Niet geheel zonder succes, zoals dus blijkt uit de cijfers van het VSNU. Een ferme stok achter de deur blijkt dus effectief te zijn in het motiveren van studenten om op tijd af te studeren.
Deze interpretatie van een mogelijk succes van de langstudeerboete is echter veel te rooskleurig. Dat er meer mensen zijn afgestudeerd door de dreiging van de langstudeerboete is evident, maar het legitimeert de maatregel zelf nog niet. Het is een typische misvatting van bestuurders en managers dat een verbeterd rendement bewijst dat de gestelde maatregelen werken. Veelal een probleem van het prefereren van kwantiteit boven kwaliteit. Zo zijn de gemiddelde cijfers waarmee deze grote groep afgestudeerden hun diploma hebben mogen ontvangen niet bekend. Maar de kans is aanzienlijk dat veel studenten concessies hebben gedaan aan de kwaliteit van hun afstudeerwerk ten faveure van het tijdig behalen van het diploma en dus het ontlopen van een fikse boete. Een keuze die, naar mijn idee, door meer studenten zou worden gemaakt. Afstuderen met een zes is immers ook voldoende als je daarmee een fikse boete kunt ontlopen.
Zo heeft elk prestatiebevorderende maatregel in het hoger onderwijs, zo ook het alternatief van een sociaal leenstelsel, een kenmerkende schaduwzijde. Kwantitatief wil men een betere en efficiëntere doorstroming van studenten. Dit levert niet alleen een hoger rendement op, maar voor de onderwijsinstellingen ook effectief een hogere subsidie per jaar door een hoger aantal afgestudeerden. In kwalitatieve zin is echter nog maar te bezien of de resultaten van de studenten op een gelijkaardig niveau blijven. Zoals ik al eerder stelde, zullen veel studenten concessies doen aan de resultaten die ze willen behalen om zodoende een studieboete of torenhoge schuld te ontlopen. Zo snijdt de overheid zichzelf dus in de vingers. Men heeft namelijk duidelijk gesteld de ‘zesjescultuur’ aan te willen pakken, maar als men de student dwingt eieren voor zijn geld te kiezen, zal deze, net als de bestuurders en managers in het hoger onderwijs, kwantiteit prefereren boven kwaliteit.
Naar mijn idee ligt de sleutel tot efficiënter studieverloop met behoud of verbetering van resultaten louter en alleen bij de kwaliteit van het onderwijs zelf. De instellingen zullen onderwijs aan moeten bieden dat studenten motiveert om resultaat te willen behalen. Zowel kwalitatief als kwantitatief. Dat betekent dat de instellingen hun onderwijs onder de loep zullen moeten nemen en zich af moeten vragen of de vormen die zij aanbieden passen bij de targets die ze willen behalen. Men moet het probleem bij de kern willen aanpakken en niet proberen te beïnvloeden door maatregelen te stellen die louter perifeer effect hebben.

Opinie [Opinion]

Selectie aan de poort. Viering of verkwisting van talent? [Dutch]

Het hoger onderwijs in Nederland zat er al een tijdje naar uit te kijken en nu kunnen ze binnenkort, weliswaar nog via een sluiproute, eindelijk hun studenten gaan selecteren. De motivaties van de verschillende onderwijsinstellingen lopen uiteen, maar, zo is te lezen in het NRC van 25 januari (‘Student moet bewuster kiezen’), dat men in Groningen vooral het rendement graag ziet groeien, uit angst voor een forse boete. In Tilburg wil men vooral het studiesucces verhogen, maar verderop zien we dat het vooral draait om excelleren (lees overheidssubsidie). Onder het mom van het motiveren van de student om een betere studiekeuze te maken, betere prestaties en excellent onderwijs, stellen de universiteiten en hogescholen graag een numerus fixus in om zo het volledige aantal toe te laten studenten zelf te kunnen selecteren. Maar hoe selecteer je nu die toptalenten?

De reacties in het NRC-artikel lijken ook hier weer uiteen te lopen. Tilburg denkt dat motivatiebrieven geen goede voorspellers zijn, cijfers zeggen veel meer. De Vrije Universiteit Amsterdam kijkt ook graag naar de cijfers, maar de achtergrond van de toekomstige student telt ook mee, zoals diens activiteiten bij een vereniging. In Twente gebruiken ze een motiviatiebrief, aangevuld met een portfolio. In Utrecht, daarentegen, tellen de cijfers wel weer mee, maar hanteert men daarnaast ook resultaten van gestelde opdrachten en toetsingen. In algemene zin wil men dus graag het aanwezige potentieel meten en staven. Behaalde resultaten uit het voortgezet onderwijs en die van speciale testen en opdrachten zouden een indicatie moeten geven van het potentieel van de toekomstige student. Maar verzeker je je met deze methodieken van talentvolle studenten?

Garanties zijn er natuurlijk nooit. ‘In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst’, luidt het inmiddels bekende adagium. Toch denk ik, mede gebaseerd op persoonlijke ervaringen, dat we op moeten passen met het meetbaar willen hebben van talent. Allereerst zou men zich moeten afvragen wat men nu onder talent verstaat. Zijn talentvolle studenten per definitie studenten met hoge cijfers? Waarom zou een student met mindere cijfers geen talent bezitten?
Een goede definitie van talent is niet zo moeilijk te geven: dat waarin een persoon uit kan blinken. De vraag kan dus opnieuw worden gesteld. Zegt een cijferlijst iets over juist dat waarin een persoon uit kan blinken? Naar mijn idee niet. Talent laat zich namelijk niet louter in kwantificeerbare resultaten uitdrukken. De persoon achter de cijfers is het belangrijkste, en misschien wel betrouwbaarste, indicerende materiaal dat er is. Interesses, ambities, karakter, hobby’s, daar zegt een cijferlijst van de middelbare school niets over. Daarbij nog buiten beschouwing latende dat het kind, de toekomstige student, de belangrijkste stap naar volwassenheid zet tijdens zijn aanstaande studie. Hoe kun je dus vooraf een inschatting maken van de mogelijke toekomstige prestaties van een student?

Selecteren, maar vooral het vooraf herkennen van talent kost moeite en tijd. Zoals hierboven is te lezen, opteren de meeste instellingen voor een snelle en efficiënte selectiemethode. Daarin hebben kwantificeerbare elementen als cijfers een hoge waarde. Echter, als al eerder opgemerkt, hebben deze cijfers geen waarde als men het talent niet herkent. Om dat talent te herkennen zal men toch echt verder moeten kijken en de persoon achter de cijfers moeten ontdekken. Een motivatiebrief of portfolio kan een eerste stap zijn, maar een goed gesprek met de kandidaat, diens mentor(en) en eventueel diens ouders, leveren naar mijn idee velen malen meer en vooral waardevollere informatie op, dan slechts het scannen van een cijferlijst en enkele tests. Een gesprek dat probeert door te dringen naar de kern van de persoon, op zoek naar juist dat waarin deze persoon kan uitblinken. Want als we die moeite niet willen nemen verwordt selectie aan de poort geen viering van talent, maar regelrechte verkwisting.

Opinie [Opinion]

Technocraten CPB adviseren einde solidariteit [Dutch]

Het CPB stelt in haar rapport ‘De prijs van gelijke zorg’ met de zorgwekkende kop ‘Solidariteit onder druk’ dat gelijke toegang tot zorg middels een standaard basispakket de verhoudingen tussen hoog- en laagopgeleiden onder druk zet. Econometrist Van der Horst en econoom Ter Rele; “Mensen met een hoger inkomen dragen het meest bij aan de collectieve kosten van zorg, terwijl het zorggebruik door [laagopgeleiden, red.] groter is dan […] door mensen met een hogere opleiding.” In het kort dragen mensen met een hogere opleiding dus meer bij voor een zorgvraag die lager is dan die van lager opgeleiden. In de toekomst zal volgens het CPB deze ongelijkheid alleen maar toenemen. Mede daarom adviseert het CPB; “Door verkleining van het basispakket of verhoging van het eigen risico kan de zorg beter worden afgestemd op individuele voorkeuren.”
Na de inkomensafhankelijke zorgpremie wordt er wederom een categorische denkfout gemaakt ten aanzien van de bereikbaarheid van zorg. Zorg moet toegankelijk zijn voor iedereen. Wanneer de toegang tot zorg direct of indirect inkomensafhankelijk wordt gemaakt, worden mensen met een laag inkomen sterk benadeeld, omdat zij relatief een hogere rekening krijgen voor hun zorgvraag. Dat laagopgeleiden een hogere vraag hebben is niet oplosbaar door ze meer te laten betalen, maar door de vraag te verkleinen. Geld heeft daarin geen effect, maar sturing door overheid en instanties voor een gezondere leefwijze en -omgeving wel. De oorzaak moet men dus aanpakken, niet het gevolg en de overheid moet daarin eens haar verantwoordelijkheid inzien.

Deze tekst is als ingezonden brief gepubliceerd in NRC Handelsblad, 10-01-2013.

Opinie [Opinion]

Eerlijke nivellering [Dutch]

De laatste dagen is er grote ophef ontstaan over de inkomensafhankelijke zorgpremie. De heer Wiegel noemt het voorstel een poging tot nivellering. Dat we de sterkste schouders de zwaarste lasten willen laten dragen is aanmoediging waardig, maar de manier waarop dit gebeurt niet. De zorg is een basisvoorziening waar élke inwoner van Nederland toegang tot behoort te hebben. Onze hoogontwikkelde maatschappij biedt de kans elke persoon zorg te bieden. Volledig onafhankelijk van wie die persoon is, wat hij/zij doet en bovendien onafhankelijk van wat deze persoon verdient. Een collectieve voorziening is er voor iedereen, zonder verschil te maken.
De denkfout die de samenstellers van het regeerakkoord hebben gemaakt is dat zij louter hebben gekeken naar (her)verdeling van kosten. Een fout die vaker wordt gemaakt (denk aan het leenstelsel voor het hoger onderwijs). Er is geen oog gehouden op de intrinsieke betekenis van zorg en de verzekering van gelijkwaardige toegang daartoe. Een gelijke basispremie is, naar mijn idee, nog altijd het meest rechtvaardig. Zorgvraag is immers niet afhankelijk van het inkomen en zou dat ook niet mogen zijn. Waarom zou, bijvoorbeeld, een vermogend persoon in verhouding vier maal zoveel moeten betalen voor zijn jaarlijkse controle bij de tandarts dan een minder vermogend persoon? Om de sterkste schouders de zwaarste lasten te laten dragen hebben we een ander instrument voor handen, de belastingen. Vermogende mensen danken hun vermogen, o.a., aan de kansen die zij van de samenleving hebben gekregen. Dat de samenleving daar iets voor terug vraagt, lijkt me niet meer dan redelijk. Via het belastingstelsel kunnen we op een eenvoudige en heldere manier (als de beleidsmakers het zo inrichten) de lastenverdeling regelen. De een staat wat meer af dan de ander, maar verhoudingsgewijs dragen we allemaal evenredig bij aan de instandhouding van de kostbare verworvenheden van onze samenleving.

Deze tekst is als ingezonden brief gepubliceerd in NRC Handelsblad, 03-11-2012.

Academisch [Academic]

Do we need the thing in itself? Critical study of the thing in itself in Kantian Transcendental Idealism.

In the Copernican revolution that Kant set into motion with his Critique of Pure Reason, he has introduced us with a model of the human cognitive apparatus that has revolutionized the way in which we think about our relation to our knowledge and the world we are affected by. Important part of the model is Kant’s distinction between the sensible and the intellectual, and even more important, the synthesis of both through the understanding. The Kantian model is a model with an inherent synthesis that is crossing the conceptual divide. I mean that it uses the distinction on a conceptual level, where in fact, our ways of acting intelligible are more ‘holistic’.

This paper explores the Kantian model from the perspective of the principle of the thing in itself and, related to that, the idea of the noumenal. It is one of the most and thoroughly criticized elements of Kantian Idealism, but it is strongly embedded in the model and cannot, therefore, be discarded that easily.

First we are exploring the thing in itself on the objective side of the model. It is here that we encounter the thing in itself as being the opposite of the object of the senses. To explain the divide, Kant needs to have clear what it is that we perceive and what it is that we cannot perceive. In the second part we are extending the same exploration, but now we study upon the Kantian principles of the phenomenal ,the noumenal and the transcendental object. It is here that Kant is explaining his conceptual steps of the introduction of the noumenal, the negative side of the model. And it is also here where it becomes clear why Kant needs the noumenal, i.e., the thing in itself.

When we finish the exploration of the Kantian model of the human cognitive apparatus, we will be able to grasp the arguments that Kant had for constructing his model the way he did. We will focus on the arguments why Kant introduced the thing in itself and the noumenal into his model, so we can finally answer the question why the principle of the thing in itself is needed. I will argue that it is not only for the sake of giving an accurate model of the human cognitive apparatus and answering Kant’s question of what we can know. In a wider reading the model will provide an evenly accurate representation of how we, as human beings, are in the world we are part and parcel of and the world we think. How we are in the middle of that what is outside of us and that what is inside of us. How we, as human beings, stand in between the manifold and particular of existing in both the sensible and intellectual.

You can download the full text here.

Academisch [Academic]

Kantiaanse Symboliek: Symbolische representatie als metafoor voor het einddoel. [Dutch]

Al in zijn Prolegomena to Any Future Metaphysics kwam Immanuel Kant met de notie dat ons kennen, een kennen naar analogie is;

“If I say that we are compelled to look upon the world as if it were the work of a supreme understanding and will, I actually say nothing more than: in the way that a watch, a ship, and a regiment are related to an artisan, a builder, and a commander, the sensible world (or everything that makes up the basis of this sum total of appearances) is related to the unknown – which I do not thereby cognize according to what it is in itself, but only according to what it is for me, that is, with respect to the world of which I am part. […] This type of cognition is cognition according to analogy, …”

Bovenstaand principe werd door Kant ook al uitgewerkt in zijn Kritiek van de Zuivere Rede en het principe van de analogie zou nog verder tot uitwerking komen in de volledige architectoniek van de Kritieken en ook in vervolgwerken als de Metaphysik en Religion. In de derde Kritiek, Kant’s Kritiek van het Oordeelsvermogen, zou hij het principe van de analogie opvoeren als de instrumentele sleutel in de vertaling van de praktische rede naar de empirie. Deze analogie, ofwel de Symbolische Darstellung, of symbolische representatie, is in de Kritiek van het Oordeelsvermogen maar kort omschreven. En Kant geeft ook toe dat het nog te weinig aandacht heeft gekregen in zijn werk (tot dan toe).

In dit paper wil ik de symbolische representatie onderzoeken op haar waarde als instrument van representatie. Allereerst moeten we de herkomst van dit begrip bekijken. Daarvoor zullen we moeten kijken naar de antinomie van de smaak, zoals Kant die uitwerkt in zijn Kritiek van het Oordeelsvermogen. Het is hier dat de symbolische representatie wordt aangedragen als instrument tot opheffing van de ontstane antinomie tussen het subjectieve en universele karakter van het smaakoordeel. We zullen dan zien dat het principe van symbolische representatie niet in directe zin de antinomie opheft, maar juist door haar indirecte, logische principe, de logica van de antinomie aanpakt.

Dat de symbolische representatie vooral ook logisch van aard is, komt mede doordat ze sterk overeenkomt met de voor ons bekende kwaliteiten van de metafoor. Kant geeft zelf al aan hoe voorbeelden uit onze taal een illustratie geven van de werking van de symbolische representatie. Daarom ook wil ik de symbolische representatie en de metafoor naast elkaar zetten en hun overeenkomsten tonen. Beiden zijn representatieve instrumenten en beiden zijn symbolisch van aard.

Dit laatste brengt ons ook echter tot de afsluitende kritische noot. Elke vorm van representatie is een restrictie op dat wat gerepresenteerd wordt. Dat is inherent aan het principe van de her-presentatie van een idee, of iets uit de werkelijkheid. Vooral de door mensen gevormde representaties zijn een toonbeeld van de beperkingen die wij als mensheid zullen moeten accepteren.

De volledige tekst is hier te downloaden.